JAN VERHAEGHE

THE CENSORED CENSOR

OVER KUNSTEXPRESSIEVRIJHEID, AUTEURSRECHT EN HET 'KIJKVERBOD'-ARREST

_Dirk Voorhoof

 

Op 29 maart 2010 leverde de eerste kamer van het hof van beroep in Antwerpen een wel heel opmerkelijk arrest af. Het hof veroordeelde de Brugse kunstenaar Jan Verhaeghe, samen met de stad Brugge en twee culturele vzw’s, tot het betalen van een schadevergoeding van 12.500 euro wegens wat het arrest kwalificeerde als ‘het ongeoorloofd gebruik’ van het werk ‘De Geliefden’, een beeldhouwwerk in het Brugse stadscentrum. Alsof deze forse schadevergoeding niet volstond, werden Verhaeghe en de stad Brugge ook veroordeeld tot de urgente en integrale publicatie van het 27 (!) bladzijden tellende arrest in Het Brugs Handelsblad en de weekendeditie van Het Nieuwsblad, onder dreiging van 1 000 euro boete per dag vertraging. De kunstenaar en de initiatiefnemers van het project moesten dus, bovenop het betalen van een forse schadevergoeding, op hun eigen kosten aan een soort publieke schandpaal gaan staan, paginagroot in een regionaal weekblad en in een dagblad met nationale verspreiding.

 

Kunstkritiek of vandalisme?

Wat was het misdrijf, de ongeoorloofde daad of de vermetele handeling waarvoor Verhaeghe en de stad Brugge waren veroordeeld, na overigens een eerdere vrijspraak zes jaar eerder door de rechtbank in Brugge? Hadden zij een kunstwerk vernietigd, verwerpelijk plagiaat gepleegd, de eer en goede naam van andere kunstenaars onbetamelijk besmeurd, een kunstzwendel georganiseerd met ongeoorloofde reproducties van een beeldhouwwerk? Niets van dat alles. Zij hadden wat het hof noemde een inbreuk gepleegd op het ‘bestemmingsrecht’ van twee beeldhouwers van een publiek monument. Het hof van beroep in Antwerpen vond namelijk dat de manier waarop het publieke monument ‘De Geliefden’ van het kunstenaarsduo Stefaan Depuydt en Livia Depuydt-Canestraro in 2002 geïntegreerd was in het Brugse cultuurproject Operatie Terra Radicalis een inbreuk was op de auteursrechten van Depuydt en Canestraro, en dus meer bepaald op hun ‘bestemmingsrecht’. Het beeld was een van de 21 beelden in een kunstparcours waarin de wandelaar/kijker/stadsbezoeker op een bijzondere manier geconfronteerd werd met publieke monumenten in de Brugse binnenstad, met name via een signalisatielint met daarop het woord ‘kijkverbod’ en een begeleidende tekst die deze 21 kunstwerken in hun ruimtelijke context ter discussie stelde. Doel van het project was ‘een voorzet te geven voor een doordacht beleid naar kunst in de openbare ruimte’. Een provocatieve voorzet weliswaar, met de vraag of de openbare ruimte van Brugge, die de laatste decennia meer dan eens was gebruikt als een ‘sluikstort voor edele metalen’ (Johan Pas) niet ‘gesaneerd’ moest worden. Het kunstparcours zelf was een onderdeel van Brugge Culturele Hoofdstad, in 2002 dus.

 

In essentie was het Antwerpse rechtscollege van oordeel dat het plaatsen van het signalisatielint, het opschrift ‘kijkverbod’ en de begeleidende tekst rond het beeld ‘De Geliefden’ een aantasting was van het recht van Depuydt en Canestraro om controle over hun werk uit te oefenen, een miskenning ook van hun recht op eerbiediging van hun werk. Volgens de wijsheid van het hof was het beeld ‘De Geliefden’ bestemd om te worden tentoongesteld in de open ruimte van de Brugse binnenstad, en was het ‘niet bestemd om gebruikt te worden in een ander, zij het conceptueel kunstwerk’. Volgens het arrest konden Depuydt en Canestraro zich verzetten tegen de manier waarop hun werk op ongeoorloofde wijze gecombineerd werd met een ander werk, dat kritiek leverde op ‘De Geliefden’. Het arrest vond dat Depuydt en Canestraro terecht aanvoerden dat hun werk ‘zonder hun toestemming werd toegeëigend voor de creatie van een nieuw werk’ en dat zij zich konden verzetten tegen het zogenaamde ‘kijkverbod’ dat tegen hun werk was ‘uitgesproken’.

 

Allicht is dit arrest het duidelijkste bewijs dat rechters en rechtspraak zich maar beter veraf kunnen houden van interpretaties in verband met cultuuruitingen, cultuurkritiek en creatief omgaan met kunst. Door op een zo ‘bestraffende’ manier op te treden tegen de initiatiefnemers van het project Operatie Terra Radicalis miskent het arrest van het hof van beroep in Antwerpen overigens niet enkel de vrije ruimte van het cultuurdebat, maar slaat het ook de bijl in de wortels van de artistieke expressievrijheid.

 

Kunst, de openbare ruimte en het recht op integriteit

Hiermee wil niet gezegd zijn dat de ene kunstenaar het werk van de andere mag vernietigen of beschadigen. Een schilderij van Magritte, Delvaux of Dalí mag je niet bekladden met verf, ook al zou dit een artistiek statement kunnen zijn. Van de mosselpot van Marcel Broodthaers mag je het deksel niet afhalen of de mosselen niet vervangen door bloemkolen. Ook een beeldhouwwerk, al staat het in de publieke ruimte, moet je in zijn integriteit respecteren. Maar precies omdat het in de publieke ruimte staat, moet dat beeld en moeten meer bepaald de makers ervan wel kunnen aanvaarden dat het beeld, of de expositie ervan, bekritiseerd wordt, voorwerp wordt van publieke discussie, in interactie treedt met de sociale omgeving. Geen krenkende of beledigende kritiek louter om te schaden, maar zoals in dit geval als een onderdeel van een kunstparcours dat de dialoog, de discussie over openbare monumenten aangaat met het publiek, een debat over de artistieke invulling van de open ruimte, een reflectie op het cultuurbeleid.

 

Doorslaggevend in deze zaak is dat het ging om een beperkte wijziging van de context of de omgeving waarin het beeld geëxposeerd was: het beeld werd niet beschadigd, er werden geen delen van afgehakt en het werd ook niet aan het zicht van de kijker onttrokken. De wijziging van de context was beperkt, het werk zelf werd in zijn integriteit niet aangetast. En bovendien was de combinatie met de vormgeving van het kunstparcours slechts tijdelijk. Geen permanente wijziging dus van de normale omgeving van het kunstwerk. Bovendien moet ook de aard van de ‘combinatie’ met het kunstparcours benadrukt worden: het zou heel anders zijn mocht het werk van Depuydt en Canestraro geïntegreerd zijn in een commerciële omgeving, met reclameslogans, commerciële logo’s, merken of advertenties. Deze bestemming hoeven de kunstenaars inderdaad niet te tolereren. Maar bij de tijdelijke integratie van hun werk in een cultuurproject, zonder beschadiging van het werk zelf, moeten de rechten in een heel andere context afgewogen worden.

 

Het bezwaar dat een ‘kijkverbod’ werd opgelegd of uitgesproken is overigens niet ernstig te nemen. Het tegendeel is eerder waar:

het signalisatielint dat rondom het werk was aangebracht, met daarop het woord ‘kijkverbod’, richtte juist meer dan ooit de aandacht op het werk. Degenen die het kunstparcours uitzetten en het signalisatielint aanbrachten, hadden geen enkele autoriteit om een kijkverbod op te leggen, laat staan af te dwingen, terwijl de feitelijke en beoogde impact juist was de wandelaar/stadsbezoeker naar het werk te doen kijken, maar dan inderdaad wel op een vragende wijze, reflectief, ironiserend, kritisch binnen de context van het project van het kunstparcours. Van een ‘kijkverbod’ in de zin van een censurerende ingreep was dus geen sprake. Eerder integendeel. Of hoogstens met één oog dicht, eventjes, met een knipoog.

                     

De verontwaardiging vanuit de artistieke en de culture wereld over het arrest in de zaak van het ‘kijkverbod’ lijkt me daarom ten volle gerechtvaardigd. Mensen uit de culturele wereld kunnen ongetwijfeld veel beter de argumenten aanbrengen waarom dit arrest een nogal onbeschofte aanslag is op de vrijheid van kunstuiting; waarom dit arrest volledig voorbijgaat aan het debat over de plaats van de kunst in de stad, in de samenleving; waarom dit arrest een brutale weigering inhoudt tot het aangaan van een ‘interactive discourse’; waarom dit arrest het debat binnen de openbare ruimte tussen kunstenaar, publiek en kunstwerk op onbetamelijke wijze verhindert; waarom dit arrest via de omweg van een verkeerd begrepen toepassing van het auteursrecht de publieke ruimte (verder) privatiseert.

 

De finaliteit van het auteursrecht en de kunstexpressievrijheid

Het arrest in de zaak van het ‘kijkverbod’ staat ook symbool voor een meer algemeen probleem in de conflictzone tussen artistieke expressie-vrijheid en auteursrecht. Er is immers meer aan de hand dan een wat uit de hand gelopen interpretatie van de auteurswet of specifiek van het bestemmingsrecht in deze ene concrete zaak. De auteurswet zelf zit namelijk structureel fout door het auteursrecht te veel op een soort piëdestal, op een onwrikbare sokkel te plaatsen, door het auteursrecht een te defensief en conservatief karakter mee te geven en vooral door slechts een te beperkt aantal zeer limitatief geformuleerde uitzonderingen toe te staan. Die uitzonderingen moesten wel worden toegegeven in functie van het citaatrecht en de kunstkritiek, voor de actualiteitsverslaggeving of voor de behoeften van onderwijs en wetenschap.

Maar kunstenaars zelf, die zich onvermijdelijk laten inspireren door hun omgeving, en dus ook door voorbeelden of iconen van hun voorgangers, kunnen onvoldoende een beroep doen op deze enge uitzonderingen in hokjes. Kunst en kunstenaars laten zich niet gemakkelijk in hokjes dringen of opsluiten in restrictief te interpreteren, limitatief opgesomde uitzonderingsgronden. Het arrest geeft ook blijk van een conservatieve, louter conserverende visie op het auteursrecht. Het hanteert het auteursrecht exclusief als een stelsel om bestaande werken te beschermen tegen elke vorm van gebruik door derden of tegen elke vorm van maatschappelijk gebruik. Deze benadering staat in schril contrast met een meer moderne en dynamische kijk op wat het auteursrecht behoort te zijn, als een stimulans om nieuwe werken te creëren, ook als die werken een transformatie inhouden, een dialoog aangaan met andere werken of daarop geïnspireerd zijn. Zoals het Amerikaanse hooggerechtshof het uitdrukt: ‘the goal of copyright, to promote science and the arts, is generally furthered by the creation of transformative works’.

 

Het ‘kijkverbod’-arrest is ondertussen ook het voorwerp geweest van analyse, beoordeling en kritiek in juridische tijdschriften. Het arrest zelf is onder andere gepubliceerd in Auteurs & Media 2010/5-6, p. 489-494, voorzien van een uitgebreide commentaar over het controversiële ‘bestemmingsrecht’ door Philippe Campolini en Benoît Michaux. De conclusie van deze analyse was: ‘En installant le droit de destination de l’auteur dans un statut autonome, l’arrêt accentue l’impression erronée d’un droit d’auteur renforcé sinon immunisé à l’égard de la liberté d’expression, alors que telle n’est pas la vocation de ce droit.’

 

Betreurenswaardig is ten slotte dat dit arrest van het hof van beroep in Antwerpen overeind is kunnen blijven, omdat men de financiële middelen niet vond – of niet wilde vinden – om cassatieberoep aan te tekenen en desnoods na afwijzing door het Hof van Cassatie deze zaak voor te leggen aan het Europees Mensenrechtenhof in Straatsburg. Er kan immers maar weinig twijfel over bestaan dat het Europees Hof brandhout zou hebben gemaakt van het ‘kijkverbod’-arrest van het hof van beroep van Antwerpen. Maar die kans is verkeken. Een pijnlijke vaststelling. Men kan nu enkel nog hopen dat ooit in een gelijkaardige zaak de rechters meer eerbied zouden hebben voor de rechtspraak van het Europees Mensenrechtenhof, dat steeds weer opnieuw de nadruk legt op de expressievrijheid, ook de artistieke expressievrijheid, zeker als het gaat om de uiting van denkbeelden en opvattingen die verband houden met een maatschappelijke discussie, zoals in deze zaak.

Volgens het Europees Hof mag in zo’n context wat overdreven worden, mag er geprovoceerd worden. De essentie van de expressievrijheid is niet conformistische ideeën of opvattingen te beschermen, maar juist opvattingen en uitingen in bescherming te nemen die kunnen kwetsen, rustverstorend zijn of kunnen choqueren. Aan het niet eens expliciet in de auteurswetgeving vermelde ‘bestemmingsrecht’ is in het ‘kijkverbod’-arrest een veel te verstrekkende betekenis gegeven. Aan het bestemmingsrecht is immers een autonome werking verleend, tegen elke vorm van integratie van publieke monumenten in een combinatie met andere boodschappen of een cultuurproject, tenzij dus met toestemming van de kunstenaar(s). Zeer betekenisvol in dit verband is de passage in het arrest volgens hetwelk het de initiatiefnemers van het kunstparcours ‘dus vrij staat om het even welke kritiek uit te brengen op het beeldhouwwerk in kwestie, voor zover daarbij geen inbreuk wordt gepleegd op de auteursrechten van Depuydt en Canestraro’. Door evenwel de contextuele aanpassing rond het beeldhouwwerk als een inbreuk op het bestemmingsrecht te bestempelen, mondt de integratie van het werk in een cultuurproject, zoals dit van het kunstparcours in Brugge, automatisch uit in een ongeoorloofde vorm van kritiek op het werk, wegens de (vermeende) inbreuk op het auteursrecht van Depuydt en Canestraro.

 

Dat de oorspronkelijke auteurs van ‘De Geliefden’ niet de bedoeling hebben gehad dat hun werk op deze manier zou gecombineerd worden met de context van het kunstparcours, mag best zo zijn. Maar het erkennen van een zo ruim ‘bestemmingsrecht’ om zich tegen een dergelijk project te kunnen verzetten of achteraf een forse schadevergoeding te krijgen, houdt een miskenning in van de impact van de publieke ruimte en van het recht op uitingsvrijheid in de omgeving van dit werk, waarmee het bestemmingsrecht minstens in balans had moeten gebracht worden. Nu is in het arrest van een dergelijke afweging van (rechts)belangen geen sprake, wat op zich een manifeste miskenning is van het recht op artistieke expressievrijheid van Jan Verhaeghe en de organisatoren van het project Operatie Terra Radicalis.

 

 

Dirk Voorhoof, gewoon hoogleraar Universiteit Gent